Het aanzien van weleer

Hij scharrelt door het huis met een ietwat paniekerige blik in zijn ogen. ‘Zonet was het er nog, en nu ‘poef!’ is het verdwenen’. Terwijl hij dit zegt zwaait hij theatraal met zijn armen. Hij scharrelt mompelend rond, het kon weleens gestolen zijn. Want dat doen ze. Jij niet maar die anderen, deelt hij me op samenzweerderige toon mee. Heb ik misschien wat gezien of gehoord?? Ik schud mijn hoofd terwijl ik mijnheer meehelp met zoeken. Hij is dagelijks spullen kwijt, die uiteindelijk op de meest bijzondere plekken terug gevonden worden. Hij kan het zich niet meer herinneren waar hij zijn spullen laat, waar hij nu bedenkt iets neer te leggen is hij straks compleet vergeten. In het begin was hij zich hier pijnlijk bewust van en probeerde hij dit te verdoezelen. Hij had jarenlang een belangrijke functie gehad als directeur van een grote instelling, een man van aanzien. Aan zijn manier van praten en zijn woordkeuze is nog steeds te horen dat hij een heer van stand is geweest. Het was hem dan ook zijn eer te na om toe te geven dat hij dingen vergat of niet meer wist hoe bijvoorbeeld de koffiezetter werkte. Hij praatte er overheen of gaf anderen opdracht om dingen te doen waarvan hij zelf niet meer wist hoe het moest. Door zijn natuurlijke overwicht was dit voor hem een koud kunstje. Maar langzamerhand raakte hij steeds meer de grip kwijt, hierdoor werd hij wantrouwig naar anderen.

Hij was ervan overtuigd dat er mensen waren die spullen verstopten of meenamen, ze waren jaloers op wat hij opgebouwd had vertelde hij me ooit. Nadat zijn vrouw vorig jaar overleden was werd het voor zijn dochter ook pijnlijk duidelijk hoe het ervoor stond met haar vader. Na het overlijden van haar moeder was er niemand meer die schoon goed voor mijnheer klaar legde. Van een nette, onberispelijk geklede heer veranderde hij in een oude man met smoezelige kleding. Toen zijn dochter voorgesteld had om hulp bij de lichamelijke verzorging voor hem aan te vragen was hij furieus geworden. Wat dacht dat snotkind nu eigenlijk wel?

Minimaal een week huisarrest zou ze krijgen. Hij zou Gemma, de au pair opdracht geven! Hij zonk steeds verder terug in de tijd, mensen uit zijn jeugd waren in zijn beleving in het hier en nu aanwezig. Hij ging met de trein op pad omdat hij bij zijn ouders op visite wilde gaan. Verfomfaaid en verkleumd kwam een man die hem onderweg gevonden had hem thuisbrengen. Ik ving hem op in de centrale hal, hij zag er ouder uit dan ooit tevoren. Hij fluisterde haast onverstaanbaar: ‘Het is te ver lopen naar het station. Eerder kon ik dat wel, maar het lukt me nu niet meer. Ik moet dat niet meer zo doen, ik ben zo moe, zo moe…’ Ik bracht hem naar zijn appartement, hij liet zich voor deze keer verzorgen en was direct nadat hij zijn hoofd op het kussen had gelegd in diepe slaap.

Vanaf dat moment leek het nog harder achteruit te gaan. In zijn overtuiging zou hij binnenkort gaan verhuizen, daarom stopt hij al zijn spullen in dozen en tassen. Dingen die hij niet meer nodig denkt te hebben geeft hij weg of gooit hij in de vuilnisbak. En nu zijn we dus aan het zoeken, naar zijn horloge. Waar hij het gelaten heeft is de grote vraag. Ik probeer hem af te leiden zodat het gevoel van paniek wat bij hem begint te overheersen doorbroken wordt. ‘Oh, wat is dit een prachtig schilderij! Hoe komt u daaraan?’ Het werkt, mijnheer focust zich op het schilderij en lijkt het horloge even te vergeten. Terwijl mijnheer een prachtig verhaal vertelt over het schilderij zoeken mijn ogen de kamer af. Onder een stapel kranten zie ik iets glinsteren, zou dat het horloge zijn? Onopvallend schuif ik met mijn voet een krant opzij. Ja hoor, daar is het! Het zou mooi zijn als mijnheer het zelf vindt zodat zijn achterdocht niet verder gevoed wordt. Ik bekijk het schilderij aandachtig. ‘Vanaf hier heeft het toch wel een hele mooie lichtinval, vindt u niet?’.

Mijnheer komt naast mij staan en kijkt naar het schilderij. ‘Ja het is een juweeltje.’ Zoals gehoopt valt zijn oog daarna op het horloge. ‘Kind kijk toch eens aan wat daar ligt, mijn Jolex!’ Mijnheer heeft het horloge ooit van zijn vrouw Joke gekregen, en omdat het voor die tijd een erg luxe ding was noemt hij zijn ‘Rolex’ van Joke zijn Jolex. Mijnheer pakt het horloge op en strijkt liefdevol over het door de jaren heen beschadigd geraakte glas. Ik geef hem de medicatie en maak een ontbijt voor hem klaar. Als ik het ontbijt nog maar net neergezet heb kijkt hij me aan. ‘Beste kind, kom je voor de gezelligheid even langs of moet je mij iets vragen? Wel even vlug dan, ik wil net gaan ontbijten zie je.’ Met een kort knikje richting het ontbijtbordje maakt hij me duidelijk dat ik ongelegen kom. Ik ga in zijn beleving mee en zeg dat ik even kwam kijken hoe het met hem gaat. Hij weet me te verzekeren dat het prima met hem gaat, als ik hem nu wil excuseren want hij wil graag een hapje eten. Ik groet hem vriendelijk en loop de kamer uit. Morgen weer hetzelfde ritueel, al is er dan wellicht een ander voorwerp zoek